Hans Keilson – In de ban van de tegenstander

Bestel In de ban van de tegenstander hier.

“Eindelijk gerechtigheid?” werd aan Keilson gevraagd in een tv-programma. Hij was toen, op z’n honderdste, door de New York Times tot genie verklaard naar aanleiding van de herpublicatie van In de ban van de tegenstander, een boek dat hij vijftig jaar eerder had geschreven. Hij antwoordde toen: “Bij gerechtigheid denk ik aan mijn ouders die naar Auschwitz zijn gedeporteerd”. Hiermee zette hij alle speculaties over de strekking van zijn roman in een helder perspectief. Daardoor zijn de pogingen van de ik-persoon om zijn vijand te doorgronden niet cynisch en vrijblijvend meer. Zelfs als hij het heeft over ‘dat oudbakken geklets over angst, geweten en afschaffing van geweten waarmee je geen hond meer achter de kachel vandaan krijgt’. Het antwoord van Keilson over gerechtigheid, stond me bij het schrijven over dit boek voortdurend voor de geest.
Door die merkwaardige fascinatie van de joodse hoofdpersoon voor zijn aartsvijand B (waarin we de omtrekken van Hitler kunnen onderscheiden), zet dit boek de lezer regelmatig op het verkeerde been. We zijn met betrekking tot de tweede wereldoorlog zo gewend om te denken in strakke goed/kwaad schema’s, dat wanneer op p.135 de Holocaust ‘de gesel Gods’ wordt genoemd, we niet goed weten wat we daar mee aanmoeten. Holocaust/slecht = gesel Gods/goed?
En de gedachte dat in religieus perspectief ook de vijand deel heeft aan Gods genade mag bij de lezer op verwarring rekenen als we daarbij een ss-er voor ogen houden.
En wanneer is een slachtoffer van onheil ook de aanstichter ervan? Leuke gedachte-experimenten, maar als het over WOII gaat zijn het morele no go area’s.

Maar naast de gesel Gods zijn meer metaforische vergelijkingen die het gesprek gaande kunnen houden. Wat wil de vergelijking tussen de wolven en de elanden duidelijk maken? Of het verhaal van de hond en de kat? Welke rol speelt het begrip echt/onecht in dit boek? En welke rol speelt de lugubere scène op de begraafplaats. Herkennen we in de mensen op die begraafplaats de mensen in de kamer waar dit verhaal verteld wordt?
Je kunt met je leesclub vele kanten op met deze roman voor een lange, verwarrende, betekenisvolle avond.

VOOR DE BOEKHANDEL EN BIBLIOTHEEK:
Klik op Scan voor leestips In de ban van de tegenstander – Hans Keilson voor de PDF met barcode.
Deze code kun je uitprinten op je eigen briefpapier en vervolgens in het betreffende boek vouwen.
Zo kunnen klanten met een smart phone al in de winkel of bibliotheek zien of deze titel iets is voor hun leesclub. Gratis!
(App’s waarmee je zo’n QR-code kunt lezen zijn b.v. QuickMark of QRReader (iPhone), of google naar QR codes voor Android. )

Perspectief
Het verhaal wordt door een ik-persoon verteld. Op de eerste bladzijden krijgt een ‘ik’  ‘de aantekeningen’ aangereikt dat hij leest vanaf hoofdstuk een. En wij lezen met hem mee. Totdat hij de aantekeningen terugbrengt bij zij advocaat.
De aantekeningen zijn door een andere ‘ik’ opgeschreven.
Waarom zou uitgerekend een advocaat deze aantekeningen hebben gekregen?
Waarom geeft de advocaat het de eerste ‘ik’ te lezen? Is hij een uitgever?
Is de ‘ik’ in de hoofdstukken –de schrijver van de aantekeningen- een ‘rijk’ psychologisch personage? Krijg je een duidelijk beeld van zijn motieven, wensen en verlangens? Heeft dat met de ik-vorm te maken of met iets anders?

Tijd
Binnen de hoofdstukken speelt de verteller met de tijd.
Hfdst.3: Hij schrijft zijn herinneringen op, op het moment dat hij samen met zijn ouders ondergedoken is. “Ik zit in mijn kamer”. Het heden is de onderduiktijd. Vandaar neemt hij ons mee de verleden tijd in; “Mijn vijand was mijn leven binnengedrongen.”
Die wisseling van tijd komt vaker terug. Hfdst.10 bijvoorbeeld begint met “Van tijd tot tijd constateer ik met genoegen”. Dat zijn opmerkingen in de tegenwoordige tijd die a.h.w. buiten het verhaal staan. Vervolgens vertelt hij ons in de verleden tijd een verhaal “wij troffen elkaar ’s avonds als het warenhuis sloot”. Vervolgens vertelt een van de bezoekers in de verleden tijd het begraafplaatsverhaal.
De gedachten over dit verhaal krijgen we weer in de tegenwoordige tijd (p.186). Deze gedachten formuleert hij later; “toen was mijn  haat nog een laffe, slappe eerloze haat”.
Om te eindigen in het heden: “En nu weet ik ook waarom ik je naam vergeten was”. Zo kan het dus dat, pas wanneer hij het verhaal aan het vertellen is, hem Lisa’s naam weer te binnen schiet.
Hoe beïnvloeden deze tijdwisselingen nog meer hoe je het verhaal beleeft?

Personages
Ik-persoon 1
De advocaat
Ik-persoon 2, gymnastiekleraar (p.22)
(J.)B.
Vader
Moeder
De vriend met de hazenlip
Wolf, Leo, Harry
Lisa

Titel
‘In de ban van de tegenstander’ kreeg oorspronkelijk, in 1959 als titel mee ‘Der Tod des Widersachers’. In het Engels heet het ‘The death of the adversary’.
Is er iets voor te zeggen om de oorspronkelijke titel niet te handhaven? Waarom wel, waarom niet?
Zorgt de Nederlandse titel er ook voor dat je het verhaal anders interpreteert?

Echt/onecht
De verhalen waarin bedrog thema is (het verhaal van de foto van de hond en de kat, het verhaal van de postzegel, de verrotte boom, van de nep-gewonden op de foto). Wat zeggen die over de vijand en over de ik-figuur?
Zouden deze verhalen misschien verklaren waarom hij met nadruk stelt dat hij geen literatuur heeft willen schrijven. Geen verzonnen zaken? Wantrouwt hij daarom het hele genre literatuur?

Spiegel
Toen ik het verhaal las van de begraafplaats en de grafschennis, drong zich een vergelijking op met het gezelschap dat het verhaal aanhoort:
De atleet – De sportman
De jongste – De jongste
Lisa – de meisjesjongen
De koude – ?
De ‘ik’ – de stotteraar?
De broer – de wees?
Het klopt dat deze spiegeling mank gaat. Maar toch is er een grote verwantschap tussen de twee groepen.
Zou dit misschien één van de redenen kunnen zijn waarom de begraafplaats-scène zo krachtig uitwerkt? De suggestie wordt immers gelegd dat de schenders en de luisteraars dezelfde mensen zijn. Stel dat de schrijver deze spiegeling bewust heeft gekozen. Wat voor bedoeling zou hij hiermee gehad kunnen hebben?

“Maar als de liefde eist dat je ’s nachts lijken gaat schenden en begraafplaatsen gaat vertrappen, dan is het toch wel heel kwalijk gesteld met die liefde”. Grafschennis als een daad van liefde… (p.185). Zou daarom hier de liefde tussen Lisa en de ik-persoon stuk zijn gelopen?
Of zijn deze vergelijkingen zo onzinnig dat je er überhaupt geen gedachten aan hoeft te wijden?

Nog een metafoor
Het verhaal van de elanden en de wolven neemt een prominente plaats in. De schrijver moet haast wel enige trots hebben gevoeld bij het verwoorden ervan. Waarom is deze vergelijking zo raak? Wat zegt die over nazi’s en hun slachtoffers?

Onbepaaldheid
De ik-persoon heeft geen naam (tenminste, ik heb hem niet ontdekt). Zijn tegenstander heet B. Zijn vriend heeft ‘vriend’. De naam van zijn vriendin Lisa schiet hem pas laat te binnen. De plaatsen van handeling zijn onbepaald. Maakt dat dat het verhaal ook afstandelijk blijft? Dat je er niet echt goed in doordringt? Dat het een min of meer theoretische oefening blijft? Waaruit blijkt dat? Maar wanneer grijpt het je toch, ondanks die afstandelijkheid naar de keel? Of is het dankzij die afstandelijkheid?

Religie
– Mooie gedachten. Wanhopige gedachten op p24: “Misschien wordt ik wel beheerst door een waan die vanuit een innerlijke behoefte genezing brengt voor de verwarring die ik zelf niet kan benoemen.” E.v. Is dit een goede beschrijving van ‘religie’?
“Als ik erachter kom, zal ik weten wat mij overeind houdt of ten slotte toch laat vallen”. Komt hij erachter? Waar blijkt dat uit?
Vijanden hebben elkaar nodig (p.212). Dat is eigenlijk ook de basis onder veel religies. Zonder het kwade kan het goede niet bestaan. Men zegt wel eens ‘zonder de duivel is God ook uitgepraat’. Of ‘wat als de engel Lucifer niet gevallen was?’ Is dat de reden waarom dit hoofdstuk wordt afgesloten met ‘O God, mijn God!’? En waarom ‘mijn’ God?

Haat
Op p.187: Ik moest het goede haten nog leren”. Wat verstaat hij onder ‘het goede haten’? (T.o. het ‘laffe, slappe en eerloze haten’)
“Haat je jezelf omdat je liever een ander was?” (p.83) Of haat je hem, omdat je liever hem zelf was?

Existentialisme
Maar op p. 119 klinkt een Sartriaanse eenzaamheid door: “Wij mensen zijn niet geboren voor vriendschap. Zo zijn de menselijke verhoudingen nu eenmaal niet. Zelfs de meest hooggestemde lofzang kan de achterdocht niet verdoezelen die als een muur tussen de levenden staat.”
Ook teksten als ‘dat oudbakken geklets over angst, geweten en afschaffing van geweten waarmee je geen hond meer achter de kachel vandaan krijgt’
Zou je hieruit kunnen lezen dat dit boek na de Tweede Wereldoorlog is geschreven, midden in de existentialistische hype van rond 1950? Dat je als eenling in de kosmos je eigen keuzes moet maken om iemand te worden?
Dat je zelfs de keuze hebt om wel of geen geweten te hebben?
Of draait deze manier van beschrijven toch uit op cynisme? Doet het de ik-persoon niks, hoe het uitpakt met zijn fascinatie voor zijn tegenstander?

Overige stellingen
– ‘In de ban van de tegenstander’ laat zien hoe de nazi’s ervoor hebben gezorgd dat de joden een groot zelfbewustzijn hebben ontwikkeld.
– De weg naar je vijand is de weg naar jezelf. (p.102)
– Het kwade bestaat niet, alleen de dood is reëel.

Moraal van het verhaal
Wat wilde Keilson ons vertellen met deze roman? Is dat in een paar zinnen samen te vatten?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: