Jessica Durlacher – De held

Dit is een roman waar je lang over kunt praten. Sara, de ik-persoon, is een betrokken moeder én dochter. Het speelt in ons heden (ca. 2010) maar de tweede wereldoorlog is alom aanwezig. De vervolging en vernietiging van de familie waar Sara deel van uitmaakt, werkt onverminderd door in alle handelingen in het heden. Je kunt je afvragen hoe spannend het is om WOII-misdaden door te laten werken in hedendaagse misdaden. Je kunt het hebben over de heilzaamheid van wraak. En hoever je dat moet laten gaan? Hoe heilzaam kan vergeving zijn?
Er zit in deze roman ook een groot autobiografisch deel. We hebben daarover wat historisch materiaal verzameld.
En dit is een thriller in de school van zovele schrijfsters die het nog spannender willen hebben. Hoe goed doet Jessica Durlacher het in deze competitie? Kan zij het opnemen tegen Saskia Noord, Simone van der Vlugt, Marion Pauw? Wordt dit element naar behoren uitgewerkt? Is dit een beschrijving van een perfecte moord?
Maar het belangrijkste blijft natuurlijk de vraag: wie weet hoe je die koolrolletjes met kummel klaarmaakt die Herman als toppunt van culinair genot beschouwde? Graag recepten!!

VOOR DE BOEKHANDEL EN BIBLIOTHEEK:
Klik op Barcode voor leestips De held – Jessica Durlacher voor de PDF met QRcode.
Deze code kun je uitprinten op je eigen briefpapier en vervolgens in het betreffende boek vouwen.
Zo kunnen klanten met een smart phone al in de winkel of bibliotheek zien of deze titel iets is voor hun leesclub.
(App’s waarmee je zo’n QR-code kunt lezen zijn b.v. QuickMark of QRReader (iPhone), of google naar QR codes voor Android).

Flaptekst
Nooit kwam Sara Silverstein in aanraking met geweld – of het moest het met geheimen omgeven verleden van haar vader zijn. Tot ze op een herfstdag in het bos oog in oog komt te staan met een verkrachter. Niet lang daarna worden zij en haar familie ’s nachts op gewelddadige wijze overvallen in hun huis. Dan doet Sara een gruwelijke ontdekking. Alles wat ze heeft geleerd over goed en kwaad lijkt niet meer te gelden. Er blijft voor Sara niets anders over dan het nemen van een dodelijk besluit.

Personages
Izak Silverstein
Zewa Teubl

Herman Silverstein
Iezebel.
Sara en Tara

Sara Silverstein
Jacob Edelman
Tess en Mich

Ton Raaijmakers

Perspectief
Het verhaal wordt verteld in de ik-vorm. Dat maakt dat we dicht op de huid zitten op de persoon Sara Edelman-Silverstein. Het maakt dat het verhaal verteld wordt door iemand die op z’n zachtst gezegd een opgejaagde indruk maakt. Haar angsten, slapeloosheid en wanhoop
Hoe ervaar je dat? Krijg je genoeg zicht op de gebeurtenissen?
Maar Mich wordt door deze ik-figuur ruim geciteerd. En wel tijdens een cruciaal deel van het verhaal, het moment dat de ouders van Herman worden opgepakt, in oktober 1942.
De beschrijving van dit moment roept vragen op. B.v. de kast waarin Herman zich verstopt, roept vragen op. P.366: “Daar zat een klein onzichtbaar luikje in met een holle ruimte erachter waar hij alleen in paste”. Op p. 367 hijst hij zich dit luikje in en “in de bodem zat een gaatje waardoor je in de huiskamer kon zien, “ Een groot gaatje, want hij ziet niet alleen dat zijn ouders mishandeld worden, maar ook dat zij de voordeur uitstrompelen.
Wordt deze cruciale scène beeldend genoeg beschreven? Snappen we de situatie goed genoeg?
Het is een scène die overigens mooi spiegelt met die van Sarah voor de deur van Raaijmakers. Wat zijn de overeenkomsten/ verschillen tussen de ‘pistoolscènes’ van Herman en Sarah?

Autobiografisch?
Het is goed om te weten dat de schrijfster de dochter is van G.L. Durlacher. En als je de gegevens van Wikipedia leest dan zie je dat deze roman een zeer autobiografische grondslag heeft:
Gerhard Leopold Durlacher (Baden-Baden, 10 juli 1928 – Haarlem, 2 juli 1996) was een Nederlandse schrijver en socioloog.
Hij werd geboren in een liberaal-joods gezin in Duitsland. In 1937 vestigde hij zich met zijn ouders in Rotterdam, nadat zij waren gevlucht voor de nazi’s. De vlucht was tevergeefs. Het gezin werd op 3 oktober 1942 gearresteerd en op transport gesteld naar kamp Westerbork. Daarna naar Theresienstadt en vervolgens naar Auschwitz. Op 8 mei 1945 werd Gerhard Durlacher door de Russen bevrijd. Zijn vader kwam om in Bergen-Belsen, zijn moeder in Stutthof.

Van 1964 tot eind 1983 was G.L. Durlacher docent sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Pas op latere leeftijd schreef Durlacher een aantal boeken over zijn ervaringen in de Tweede Wereldoorlog, als Joods jongetje in Baden-Baden in het boek Drenkeling en als kampgevangene in Strepen aan de hemel. In het laatste boek uit Durlacher scherpe kritiek op de geallieerden die niet ingrepen hoewel zij tot in detail op de hoogte waren van het lot van de Joden in de door Nazi-Duitsland bezette landen.

In juli 1996 overleed Durlacher plotseling in zijn woonplaats Haarlem.

Als je dit weet (en lees ook de lezing van Jessica hieronderaan), wat doet dat met de roman? Vind je dat deze manier van vertellen iets toevoegt aan het historische verhaal? Wat voegt het toe. Wat doet deze roman met de thematiek van de oorlog?

Moord bewezen?
Dat Mich Raaijmakers heeft geliquideerd, is uit de gegevens wel duidelijk; circumstantial evidence. Op p.317 zegt Mich tegen Tess “Hij is bijna dood” en op p.354 zegt hij “ik had het toch gezegd?” Maar hoe kan het dat er twee kogels uit het pistool zijn gebruikt? Er is er ééntje tijdens de verhuizing afgegaan, en Raaijmakers door twee schoten in zijn hart is gedood. (p.349). Op  p. 338 staat ‘dit was mijn vaders pistool. Het is bedoeld om te doden – er zitten nieuwe kogels in.” Een paar regels verder staat dat de vader het gevuld heeft met moderne munitie. Niet dat Sarah dat heeft gedaan. Dus: wie heeft die twee kogels afgevuurd en uit welk wapen? Of heeft Mich maar één keer geschoten?

‘Wiedergutmachung’
Herman laat de verbouwing van zijn huis doen door de zoon van Laurens Raaijmakers, Ton. Dit is een soort ‘Wiedergutmachung’. Wie moet wat goedmaken hiermee? Herman helpt Ton toch? Waarom? In 1963 kreeg Nederland van Duitsland 125 miljoen Duitse mark schadevergoeding voor Nederlandse nazi-slachtoffers: dat noemde men de Wiedergutmachung. Of zou hij de serre hebben laten bouwen van dit geld? Dat is toch wel een ultiem gebaar van verzoening.
Komt de oorlog niet erg snel binnen op onverwachte plaatsen? Op p. 18 is er al sprake van een fascistoïde bacil die haar vader belaagt, nadat Raaijmakers hem geduwd zou hebben. En hij wordt, zonder dat zijn identiteit is vastgesteld, al op p.94 in oorlogstermen omschreven: ik werd ‘door een of andere fascist bijna vermoord’.
Heel de wereld lijkt zo bij de ik-figuur handlanger van de nazi’s te zijn die het alsnog op haar vader en haar familie gemunt hebben.

Thema vergeving vs wraak
Zijn de wraakgevoelens van Sarah begrijpelijk?
Brengen ze de wereld verder. Zorgen ze ervoor dat de wereld beter wordt?
De wraakneming op Ton Raaijmakers rechtvaardigt Sarah met de gedachte dat die niet zal leiden tot meer bloedvergieten ‘als niemand weet wie het heeft gedaan’ (p.337).
Is dat een goede gedachte? De overvallers zijn hun klus toch ook begonnen met de gedachte dat ze ermee wegkwamen als niemand te weten zou komen wie het had gedaan? Ton Raaijmakers heeft Herman toch ook van zijbn trap geduwd omdat hij ervan overtuigd was dat niemand het te weten zou komen?
Maar wat weten we wel in deze roman? Weten we echt wie Herman geduwd heeft? Weten we echt dat Mich Ton heeft omgelegd?
Wat ook wel de moeite van het bespreken waard is, is de vraag waarop nu eigenlijk wraak genomen wordt door het doden van Ton Raaijmakers.
– Op de vernedering en deportatie van Hermans ouders?
– Op de schaamte die Herman zijn hele verdere leven met zich meedroeg?
– Op de duw en de val die Herman fataal zal worden?
– Op de aanranding van Sarah? Op de roofoverval en de verkrachting van Tess?
– Is het een verhelderende gelijkenis die Durlacher aanbrengt tussen de gruwelijke gebeurtenissen die het joodse gezin Edelstein doormaakt in het heden en de gruwelijke gebeurtenissen het joodse gezin Silverstein meemaakte tijdens de tweede wereldoorlog? Waarin klopt die gelijkenis en waar houdt die op? Betrek hierin wat Durlacher zegt in haar 4 mei lezing (zie onderaan).
– Durlacher haalt een paar keer de roman Disgrace aan van Coetzee.  Daarmee betrekt ze ook de wederzijdse wraakgevoelens tussen blank en zwart in Zuid Afrika in het dilemma ‘wat te doen met Ton Raaijmakers’?

Zo komen er vele wraakgevoelens ter sprake: de wraakgevoelens joden vs nazi’s (Silverstein in WOII), joden vs neo-nazi’s (Edelsteins vs Raaijmakers), westerse waarden vs moslim extremisme (Mich naar Afghanistan), blank vs zwart (Disgrace Coetzee).
Maakt deze veelheid aan tegenstellingen De held universeler of verwarrender? Worden de tegestellingen hierdoor versimpeld of anderszins tekortgedaan?

Noodlot
Op p. 59 denkt Sarah: “In die tijd noemde ik dat nog zo: noodlot. Inmiddels weet ik beter.”
Wat noemde zij noodlot, en hoe zou ze het nu noemen?
Toch is noodlot niet zo’n slecht gekozen term. Haar vader, die altijd zijn dochters tot in het overdrevene wilde beschermen, is dood. En nu deze beschermer weg is gevallen, slaat het ‘noodlot’ keer op keer toe. Was Herman dus uiteindelijk toch hun beschermer? Heeft hij niet overdreven? En is Mich klaar om zijn rol over te nemen? (zie ook p.14)
Het ‘afzinken’ van het pistool, na de afrekening met Raaijmakers, is dat ‘het einde van de oorlog’? Op p.356 lezen we dat Mich naar Afghanistan gaat. Is dat het vervolg van deze oorlog? Of van een hele andere?

Namen
De personages hebben namen die het lezen ook kunnen sturen.
Mich
komt van Michael: De engel Michael staat voor gerechtigheid, kracht en bescherming. In de christelijke traditie is hij de aanvoerder der engelen, de overwinnaar van boze machten, beschermheer van de Christenen.
Maar de naam Herman is ook niet zonder betekenis: Herman is een Germaanse voornaam met als betekenis “legerman”, “legerheld” of “krijger” (her = “heer”, “leger”; man = “man”, “held“).
Sara
is natuurlijk de Oudtestamentische vrouw van Abraham en de oermoeder van Israel. Opvallend is dat de ik-persoon pas op p.69 Sara genoemd wordt. Zij krijgt in dit boek haar echte naam door haar aanrander, Raaijmakers. De zoon van een foute Nederlander. Zou Durlacher dit bewust gedaan hebben? Hebben joden hun identiteit gekregen door de oorlog? Haar aanrander noemt haar en ontneemt haar tegelijkertijd het leven (chai).
Daarbij zinspeelt hij ook nog op zijn eigen naam: “Dat raad ik zomaar. Knap, hè?”

Thema Held
Wie is De held in dit verhaal?
Er zijn een paar gegadigden: Herman? Mich? Sarah? Tess? Jacob?
Wat betekent Held in dit boek? Is dat het personage dat op het juiste tijdstip roekeloos is geweest? Of is dat het personage dat op vele tijdstippen verstandig is geweest?
Wie komt hiervoor het meeste in aanmerking?
Het omslag kan ons wel iets vertellen. Er zijn twee gehaakte revolvers op te zien. Een kunstwerk met de titel A girl’s gotta do what a girl’s gotta do.
Wat zou een meisje dus moeten doen? Doet Sara het dan goed?
Maar Sara gaat aan het eind wel naar Amerika, de fantasie die haar vader als dertienjarige al had opgeschreven. Dus toch de weg -dus de bescherming- van haar vader?

Familie
Tussen alle verschrikkelijke gebeurtenissen door, gaat het gezinsleven ook zoveel mogelijk door. Vind je Sarah een goede moeder? Pakt ze het handig aan? B.v. om Tess aan het praten te krijgen. Of om Mich uit het leger te houden? Maakt ze de indruk dat ze ergens rustig over nadenkt, of reageert ze voortdurend op wat haar overkomt of wat ze ziet.
Hoe zou u reageren als uw zoon besluit om naar een boot camp te gaan met als doel om in Afghanistan te gaan vechten?

boot camp

Klik ook maar eens naar dit filmpje. Dat is van het Second Battalion van de Fox Company (p.152) waarmee Mich naar Afghanistan gaat, gestationeerd in Zad.

Verfilming in 2015
De Held gaat verfilmd worden door die andere held, regisseur Antoinette Beumer.
Wat een feest voor de scenaristen dat ze zich konden laten inspireren bij De Lezersvriend!
In 2015 moet de première plaatsvinden. De laatste ontwikkelingen hierover kun je volgen via de Facebook-pagina van de producent, Independent Films.

 

=============================================================================================

Materiaal

De Luger ‘Wagner’ die zo’n grote rol speelt in dit verhaal

Gouden chai

Dit is zo’n gouden chai, die Sara draagt en die Ton Raaijmakers afrukt. Chai is hebreeuws voor leven. De joden vieren het leven en het woord chai is daarom van grote betekenis. De joodse heildronk komt er vandaan Lechaïm!; op het leven!
Het symbool is niet puur religieus. Het drukt wel uit dat je in een traditie staat. Een soort amulet.

De 4 mei lezing 2001
In 2001 verzorde Jessica Durlacher de 4 mei lezing. Het droeg de titel ‘Op scherp’ Veel van wat hier in staat, kun je herkennen in De Held.

GEBOREN IN DE JAREN ZESTIG ben ik. Wat ik van de Tweede Wereldoorlog weet is begonnen als van horen zwijgen. Wat ik hier weten noem, begon eigenlijk als voelen. Weten zonder kennis. Onrust en angst over wat er met mijn vader was – gevoelens die in eerste aanleg te maken hadden met  een machteloos makende compassie. Dit wist ik: mijn vaders vijand was de mijne, al had ik  geen idee wie die vijand was.

IK WEET NIETS – WANT IK WAS ER NIET BIJ.
Mijn vader wel. Hij overleefde Westerbork, Theresienstadt en Auschwitz en kon me er
niet over  vertellen. Wilde me er niet over vertellen. Aanvankelijk wist ik alleen van zijn
nachtmerries door zijn vage klachten en rode ogen. Pas later leerde ik dat er miljoenen
mensen waren geweest die niet hadden overleefd wat hij had overleefd.
Gelukkig schreef mijn vader boeken over wat hij had meegemaakt: hoe het was als
kleine jongen in Duitsland en later in Nederland, wat er met hem gebeurde in Westerbork en  Auschwitz, wat hem overkwam als ongewenste repatriant na de oorlog.
Hij werkte zo precies als hij kon: alles wat hij in zijn geheugen vond, controleerde hij
uitputtend aan de hand van bestaande geschiedschrijving. Wantrouwig volgde hij de
machinaties van zijn eigen geheugen, dat – wist hij – nu eenmaal vervormt naar gelang de blik  gericht is en de glazen geslepen.
Bovenal was die behoedzaamheid een vorm van trouw – trouw aan de zonder hoop  gestorven geliefde mensen uit zijn toenmalig kinderleven, een leven dat ooit ‘gewoon’ en  opgewekt en vol verwachting moet zijn begonnen. Ter ere van hun nagedachtenis mocht hij  van zichzelf niet liegen. Geboekstaafde herinneringen van medeoverlevenden, die hij bijna  alle opspoorde en las, wist hij op waarde te schatten, maar het stoorde hem onnoemelijk
wanneer iemand de chronologie geweld aandeed of bestaande feiten anderszins in een onjuist  verband met elkaar bracht – om maar niet te spreken over regelrechte vervalsingen. Met  onwaarheden zouden niet alleen de doden onteerd worden maar ook zouden deze de beruchte  Holocaustontkenners in de kaart spelen, vreesde hij.
Onverbloemde fictie over die tijd beschouwde mijn vader bijna zonder uitzondering als taboe. Films, door hun mise en scène nu eenmaal per definitie onecht, vond hij onverdraaglijk. Sophie’s Choice, of Schindler’s List: afgrijselijke kitsch. Nep, een belediging van de werkelijkheid.
Toch besefte hij wel degelijk dat ook zijn eigen boeken, hoe waarachtig ook, onvermijdelijk sporen van fictie in zich droegen – dat het fabuleren nu eenmaal inzet zodra je  je gaat bekommeren om compositie en stijl: iets wat hij met overgave deed.

Het Gispen-bureau van mijn vader was het enige voorwerp dat ik van hem erfde en wilde erven. Het was het bureau waaraan hij gezeten en gelezen, gedacht en geschreven had, een fort van staal. Beangstigend en vertrouwd tegelijk.
Het ging me om het geluid dat het maakte. Wanneer het centrale slot van de ladenblok lossprong, maakte dat een metalige, scherpe knal, als van een schot. Het weerklonk in het zware stalen karkas van het bureau en verkondigde altijd dezelfde belofte: de ontsluiting van  geheimen die van hem en van hem alleen waren.
Dat geluid is mijn madeleine koekje: het roept mijn hele kindertijd terug. Behalve in zijn werkkamer hoorde je het ook in de rest van het huis. Als de veer van het slot sprong wisten we dat mijn vader in zijn eigen wereld dook en iets ging opzoeken dat ons niet aanging. Hij had als enige de sleutel en altijd voordat hij zijn kamer verliet, drukte hij de metalen knop naast het sleutelgat in, wat eenzelfde, zij het iets doffere versie van dezelfde oerknal te  horen gaf. Daarna werd het grijsgelakte metaal opnieuw de kantoorversie van een bunker.  Alleen toegankelijk voor hemzelf.

Na zijn dood kreeg ik deze bunker. De meeste papieren die erin zaten hield mijn moeder, een  versleten lederen mapje was voor mij. In dat mapje trof ik de kaalste geschriften aan die ik van mijn vader ken. Het waren brieven. Brieven die hij in de jaren vijftig schreef aan de autoriteiten in Duitsland die de verantwoording hadden voor de uitbetaling van Wiedergutmachung. Mijn vader was zeventien jaar oud toen hij uit de kampen terugkwam. Zijn ouders bleken te zijn vermoord, zijn gezondheid was slecht, en bijna alles wat zijn familie bezat was verdwenen. Hij moest wel.
Wat ik van horen zwijgen had leren kennen, en later in zijn boeken na had kunnen lezen, zag ik in deze brieven terug – reëel en hard, als een kaakslag. De naakte feiten – die de geadresseerden ervan moesten overtuigen dat hij in aanmerking kwam voor hun armzalige schuldvereffening.
Een van die brieven lees ik hier in eigen vertaling voor.

Mijn ouders, Arthur Josef Durlacher en Erna Sofie Durlacher-Solomonica en ook ik moesten ten gevolge van de ‘Anordung des Reichskommisars fuerdie niederlaendischen Gebiete’ vanaf 29 april 1942 de jodenster dragen. Een verdere bepaling verbood het joden zich na 8 uur ’s avonds op straat te bevinden. Op 3 oktober 1942 werden wij gearresteerd.
Tot midden januari 1944 verbleven wij in kamp Westerbork. Toen deportatie naar Theresienstadt en van-daaruit volgde verdere deportatie (mei 1944) naar Auschwitz. Vandaar ben ik in oktober 1944 verder gedeporteerd naar
KZ Maerzbachtal en daarvandaan naarKZ Dornau en uiteindelijk naarKZ Schotterwerk, alledrie onderafdelingen van KZ Grosz-Rosen. Uit Schotterwerk ben ik op 8 mei bevrijd. Mijn ouders zijn vanuit Auschwitz nog verder gedeporteerd. Mijn vader stierf in Bergen Belsen op 31 mei 1945. Mijn moeder waarschijnlijk in KZ Stutthof in maart 1945. In Westerbork moest de jodenster nog gedragen worden. In Auschwitz en de daarna volgende KZ-Lagers moesten we een gele driehoek met daarnaast het gevangenennummer dragen. Dat laatste werd ook in de linkeronderarm getatoeëerd. Het mijne luidde A-1321.

Met de grootste hoogachting verblijf ik,
Gerhard Durlacher

Behalve de inhoud zelf, vind ik het ergste van dit briefje geloof ik de beknoptheid ervan. Alsof mijn vader als de dood was om te overdrijven en daarmee de mensen van wie hij afhankelijk was af te schrikken. Dingen erger te maken dan ze waren.
Maar ze konden helemaal niet erger!
Een symbool voor de mens die met een mond vol tanden staat, zo zie ik deze brief: letterlijk sprakeloos. Omdat hij zich tegenover gebeurtenissen bevindt die zich niet laten vergelijken met de wereld zoals wij die kennen – en die daarom niet voorstelbaar te maken zijn. Sterker nog: omdat dat gebeurtenissen zijn die het voorstellingsvermogen zodanig pijnigen en beledigen, dat de mensen zich wel eens woedend op de verkondiger ervan zouden  kunnen storten.
Behoedzaam en vol schaamte wordt hier de onderwereld getoond – voorzichtig, om niet te kwetsen of kopschuw te maken. De toon zo zakelijk en monotoon mogelijk gehouden –  in de hoop dat de lezer zich niet af zal wenden. Zodat men niet zal denken dat de schrijver  liegt.
De verstikte stem. Iedereen kent het gevoel wel uit nachtmerries: er vindt een ongelooflijk onrecht plaats en je wilt gillen, waarschuwen, in woorden vertalen wat je weet en  hebt gezien, maar er komt niets uit je mond behalve een benauwd gehijg. Of een opsomming,  dus.
En zo onterecht is die vrees niet eens. Moché de Bode, de vriendelijke zonderling uit de gruwelijke roman Nacht van Elie Wiesel, weet een massa-executie te ontvluchten en gaat  terug om zijn vroegere dorpsgenoten te waarschuwen en aan te sporen om te vluchten. Maar  als hij eindelijk in staat is om te spreken, is het vergeefs. Niemand gelooft hem. Wat hij  vertelt, dat kan simpelweg niet bestaan.

De literatuur over de oorlog die inmiddels zo vanzelfsprekend is geworden en oneindig uitgebreid, moet daarmee zijn begonnen, zo stel ik mij voor. Niet uitsluitend met de vrees dat  de wereld niet zou weren maar, en niet in het minst, met de angst om niet geloofd te worden.
Dit schuwe briefje van mijn vader zou je kunnen zien als het embryonale stadium van de volharding van alle mensen die besloten dat wat zij zagen en meemaakten zo erg was dat  het niet onbeschreven mocht blijven. Van mensen die tegen alle onwil en ongeloof in een  brug wilden slaan tussen de wereld van onvoorstelbare kwaadaardigheid, en de rest-die  overigens ook lang zo fraai niet is. Waarom? Ik weet zeker: niet om hel en verdoemenis te preken, en iedereen van zijn hoop te beroven en ongelukkig te maken. Maar omdat wat er is gebeurd, nu eenmaal echt gebeurd is. Omdat vertellen het minste is wat je voor de doden kunt doen.
Omdat mensen van het kwaad moeten weten om het goede te kunnen onderscheiden.

De vondst van de kale brief van mijn vader bracht me nog op een andere gedachte – een die me aanvankelijk schokte. Het was de paradox tussen die brief en zijn eigen, veel later verschenen boeken: alle persoonlijke geschiedenissen, gecomponeerd rond thema’s die hem bezighielden. Die, hoe trouw aan de feiten zij ook zijn, onwillekeurig neigen naar literatuur. Als mijn vader in één leven als schrijver de ontwikkeling kon doormaken van het o, zo voorzichtige, nog net geen zwijgende staccato aan feiten naar de openhartige literair verbeelde  herinneringen die hij later publiceerde, dan was daarmee misschien de weg geplaveid voor de  generaties na hem om over de Holocaust te schrijven op een verder afgeleide manier. Dat wil zeggen: in de vorm van de ooit door hem gewraakte fictie. Zonder te liegen, rechtdoend aan de feiten, voorstellingen oproepen van hoe het geweest zou kunnen zijn.
Schindler’s List
en Sophie’s Choice mogen niet authentiek zijn, noch voorbeeldig, het minste dat je van ze kunt zeggen is dat ze vele onwetenden gevoelskennis gebracht hebben over een  verleden dat hen anders überhaupt onbekend zou zijn gebleven.

Ik zie het in deze nieuwe eeuw nu zonder tranen aan: de Tweede Wereldoorlog dendert langzaamaan het gebied van de fictie binnen. Onherroepelijk zullen kunstenaars zich  van deze krankzinnige periode meester maken, met alle meedogenloosheid die daarbij hoort. Al te bekende beelden uit de oorlog zullen worden tot iconen: gemystificeerd. In en door de fantasie zal naar nieuw begrip worden gezocht -en ik betreur het niet. Niet meer. Het is de enige manier, begrijp ik, om het verleden te incorporeren in ons geheugen, het steeds opnieuw  in ons geweten en in onze harten een rol te geven.

Mijn vader is er niet meer, net als steeds meer mensen van zijn generatie die de oorlog meemaakten. Goddank is veel van hun ervaringen in boeken en documentaires vastgelegd. Hun verslagen staan iedereen ter beschikking die zich geroepen voelt tot het bedenken van boeken en films. Verhalen waarin fragmenten van de geschiedenis gereflecteerd zullen worden als in een spiegel, verbeeld in oneindige variaties.

Dit is wat ik hoop: dat het ‘horen zwijgen’ van mijn jeugd zal worden vervangen door de geheimen en open plekken van films en literaire fictie. Dat men verleid wordt historische  abstracties te herleiden tot mensen en hun verhalen – en dat men daarin blijft zoeken naar de  waarheid en de feiten. Want over die feiten gaat het en over niets anders. Ik weet zeker dat ook mijn vader hiermee zou hebben ingestemd.

Toen mijn vaders bureau tijdens de verhuizing werd gekanteld om door de deuropening te worden gedragen, hoorden we een metalige klap die anders klonk dan die van het vertrouwde  slot. Uit het binnenste van het bureaublad kwam een zwaar voorwerp naar beneden suizen. Het was een pistool. Het was geladen en het bevatte vijf kogels. Ik ontdekte dat mijn vader het had aangeschaft in de paniek na de inval van de Russen in Hongarije in 1956. Als ze kwamen, net als toen, zou hij schieten. Later had niemand precies geweten waar het gebleven was.
Hij wel. Jarenlang had het geduldig achter een gemakkelijk toegankelijke richel onder het bureaublad liggen wachten om hen die zijn gezin kwaad hadden willen doen te bedreigen –  misschien zelfs te vermoorden. Mijn vader was een redelijk man, een verlicht man, een vergevensgezinde man zelfs. Na Auschwitz overleefd te hebben, koesterde hij geen haat tegen Duitsland als de abstractie die een natie nu eenmaal is. Hij geloofde in de toekomst en in de vooruitgang. Hij had in zijn leven de woorden gevonden om over zijn oorlog te vertellen.
Hij schreef boeken. Literatuur.
En in zijn bureau lag altijd een geladen pistool onder handbereik.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: